Examenvraag Elektriciteitspracticum
Sem stelde deze vraag op 29 juli 2026 om 09:01.
Het gaat hier even om vraag 10.
Over het algemeen geldt: hoe groter de weerstand is, hoe meer spanning er over deze weerstand staat.
We hebben hier te maken met PTC's, waarvan de weerstand toeneemt onder invloed van de stijgende temperatuur. De weerstand van zowel L1 als L2 neemt dus toe.
Maar L1 en L2 kun je niet onafhankelijk van elkaar zien. De spanning verdeelt zich namelijk over de lampjes, en de bronspanning blijft natuurlijk gelijk.
Aangezien de stroom door L3 groter is dan (bijvoorbeeld) L1, zal L3 sneller in temperatuur stijgen en de weerstandswaarde zal sneller toenemenen. L3 zal dan ook een groter aandeel van de totale spanning ''opeisen''.
Tot zover duidelijk!
Maar... vermogen hangt toch niet alleen af van de spanning?
Vermogen kun je berekenen met P = U * I (maar bijvoorbeeld ook met P = I^2 * R).
En die stroomsterkte... die wordt toch juist kleiner?
Hoe kan het correctievoorschrift, zonder ook maar iets te zeggen over stroomsterkte, concluderen dat het vermogen waarmee L3 brandt, te hoog is?
Reacties
dag Sem,
je denkfout zit hier:
"We hebben hier te maken met PTC's, waarvan de weerstand toeneemt onder invloed van de stijgende temperatuur. De weerstand van zowel L1 als L2 neemt dus toe."
die 12 V/ 2,4 W en de daarbij behorende weerstand geldt voor de bedrijfstemperatuur (de temperatuur waarbij hij gloeit zoals bedoeld) .
Maar gaan lampje 1 en 2 die bedrijfstemperatuur halen?
Groet, Jan
Dag Sem,
Het gaat hier om het centraal examen vwo 2026, tijdvak 1.
Je vraagt: 'En die stroomsterkte... die wordt toch juist kleiner?'
Ja, de stroomsterkte in elke lamp wordt kleiner dan onmiddellijk na het moment waarop de spanning wordt ingeschakeld. Maar zo'n vergelijking van de eindtoestand met de begintoestand is niet van belang voor vraag 10.
In het correctievoorschrift wordt de stroomsterkte in L3 vergeleken met de stroomsterkte in L1 (of L2), beide in de stabiele eindtoestand waarin elke lamp zijn constante temperatuur heeft. De stromen door L1 en L2 gaan beide door L3, dus de stroomsterkte in L3 is groter dan in L1 (of L2) op hetzelfde moment. Hieruit volgt dat de temperatuur van L3 hoger is dan die van L1 op hetzelfde moment. Bij een PTC gaat een hogere temperatuur samen met een hogere weerstand. Dus de weerstand van L3 is groter dan die van L1 op hetzelfde moment, zodat over L3 meer dan 12 volt spanning staat. Hoe hoger de spanning over L3, hoe hoger het vermogen van L3.
Zo duidelijk?
Groet, Jaap
Stel, we laten die batterij een flinke tijd aan staan. Zal de spanning over L3 dan uiteindelijk zo goed als 18 V worden?
En als we dan kijken naar de tijd die naar voor nodig is, kunnen we dan concluderen dat de spanning over L3 meer toeneemt dan dat de stroomsterkte door L3 (en dus door de totale schakeling) afneemt over de tijd?
Dag Sem,
Nee, de spanning over L3 zal uiteindelijk niet zo goed als 18 volt worden.
Afhankelijk van de precieze eigenschappen van de lampen, zal $U_3$ wat meer dan 12 volt, maar ruim minder dan 18 volt worden.
Een antwoord op je tweede vraag van 11.22 uur is niet nodig voor vraag 10. Je loopt hiermee het risico dat je de zaak onnodig ingewikkeld maakt en verstrikt raakt in vergelijkingen (zoals stroomsterkte is/wordt groter/kleiner in de loop van de tijd) die niet nodig zijn om vraag 10 te beantwoorden.
Je kunt vraag 10 beantwoorden door alleen te kijken naar de eindsituatie, waarin elke lamp een constante temperatuur heeft bereikt (die bij L3 hoger is dan bij L1 en L2).
Groet, Jaap
Oke, bedankt!