Dag Kaan,
Laten we aannemen dat het een gelijkarmige inTERferometer is: de afstand van de schuine hal-doorlatende spiegel naar elk van de andere spiegels is even groot, namelijk $L$.
Over de blauw getekende weg, gerekend vanaf de schuine spiegel...
De tijd waarin het licht de rechter spiegel bereikt, noem ik $t_\text{v,heen}$.
Het licht legt een afstand $c\cdot t_\text{v,heen}$ af.
Omdat de interferometer naar rechts beweegt met een snelheid $v$,
wordt de afstand $L$ in deze tijd een stuk $v\cdot t_\text{v,heen}$ groter,
zodat het licht een afstand $L+v\cdot t_\text{v,heen}$ aflegt.


\cdot&space;t_\text{v,heen}=L)

De tijd waarin het licht van de rechter spiegel naar de schuine spiegel gaat, noem ik $t_\text{v,terug}$.
Omdat de interferometer naar links beweegt met een snelheid $v$,
wordt de afstand $L$ in deze tijd een stuk $v\cdot t_\text{v,terug}$ kleiner,
zodat het licht een afstand $L-v\cdot t_\text{v,terug}$ aflegt. Nu geldt

De totale tijd langs de blauwe weg is
\cdot(c+v)}=2\cdot&space;L\cdot\frac{c}{(c-v)^2})
Lukt de rest, met meetkunde en algebra?
Groet, Jaap