Katrol

Sarah stelde deze vraag op 14 december 2025 om 22:37.

Twee massa's hangen aan twee katrollen en steunen
op eenzelfde plank die door de massa' naar
boven wordt getrokken. Wat is de normaalkracht
op een massa? (massa = 1,00 kg, plank = 1,00
kg). (De uitkomst is 2.5N)

Ik snap niet waarom (plank) - >  Fz + 2Fg = 2T
(massa) ->  Fz = Fn + T
3de wet Newton  Fn = Fg
Fz = mg

Groeten Sarah

 

 

Reacties

Jaap op 14 december 2025 om 23:52

Dag Sarah,
Op grond van je beschrijving neem ik aan dat de beide massastukken aan het begin reeds steunen op de plank.
Eenvoudigheidshalve neem ik voor de valversnelling $g=10\,\text{m/s}^2$.

De twee massastukken hebben samen meer massa dan de plank. Gevolg: de plank blijft tegen de massastukken gedrukt met een normaalkracht $F_\text{n}$ en alles blijft in rust.

Aan de vier touwdelen hangt een totale massa van $3\,\text{kg}$. Hierop werkt een zwaartekracht van $30\,\text{N}$. Gevolg: in elk touwdeel is de trekkracht $T=7,5\,\text{N}$.

Op een massastuk werkt:
• omlaag de zwaartekracht $F_\text{z}=10\,\text{N}$
• omhoog de trekkracht $T=7,5\,\text{N}$
• omhoog de gevraagde normaalkracht $F_\text{n}$ uitgeoefend door de plank.
Omdat een massastuk in rust blijft, zullen de krachten erop elkaar opheffen.
Dit geeft $F_\text{n}=2,5\,\text{N}$.

Op de plank werkt
• omlaag de zwaartekracht $F_\text{z}=10\,\text{N}$
• omlaag twee maal de gewichtskracht van een massastuk, elk $F_\text{g}$
• omhoog de trekkracht van twee touwdelen, elk $T=7,5\,\text{N}$
De plank blijft in rust, dus de zwaartekracht omlaag en de gewichtskrachten omlaag zijn samen even groot als de trekkrachten omhoog, Fz + 2Fg = 2T

Op een soortgelijke manier vind je dat Fz = Fn + T

De 'normaalkracht van een massastuk op de plank' en de 'gewichtskracht van een massastuk op de plank' vormen een krachtenpaar: de een roept de ander op.
Volgens derde wet van Newton geldt Fn = Fg
Kun je hiermee verder?
Groet, Jaap

Plaats een reactie

+ Bijlage

Bevestig dat je geen robot bent door de volgende vraag te beantwoorden.

Noortje heeft tweeëndertig appels. Ze eet er eentje op. Hoeveel appels heeft Noortje nu over?

Antwoord: (vul een getal in)