Dag Sarah,
Op grond van je beschrijving neem ik aan dat de beide massastukken aan het begin reeds steunen op de plank.
Eenvoudigheidshalve neem ik voor de valversnelling $g=10\,\text{m/s}^2$.
De twee massastukken hebben samen meer massa dan de plank. Gevolg: de plank blijft tegen de massastukken gedrukt met een normaalkracht $F_\text{n}$ en alles blijft in rust.
Aan de vier touwdelen hangt een totale massa van $3\,\text{kg}$. Hierop werkt een zwaartekracht van $30\,\text{N}$. Gevolg: in elk touwdeel is de trekkracht $T=7,5\,\text{N}$.
Op een massastuk werkt:
• omlaag de zwaartekracht $F_\text{z}=10\,\text{N}$
• omhoog de trekkracht $T=7,5\,\text{N}$
• omhoog de gevraagde normaalkracht $F_\text{n}$ uitgeoefend door de plank.
Omdat een massastuk in rust blijft, zullen de krachten erop elkaar opheffen.
Dit geeft $F_\text{n}=2,5\,\text{N}$.
Op de plank werkt
• omlaag de zwaartekracht $F_\text{z}=10\,\text{N}$
• omlaag twee maal de gewichtskracht van een massastuk, elk $F_\text{g}$
• omhoog de trekkracht van twee touwdelen, elk $T=7,5\,\text{N}$
De plank blijft in rust, dus de zwaartekracht omlaag en de gewichtskrachten omlaag zijn samen even groot als de trekkrachten omhoog, Fz + 2Fg = 2T
Op een soortgelijke manier vind je dat Fz = Fn + T
De 'normaalkracht van een massastuk op de plank' en de 'gewichtskracht van een massastuk op de plank' vormen een krachtenpaar: de een roept de ander op.
Volgens derde wet van Newton geldt Fn = Fg
Kun je hiermee verder?
Groet, Jaap