MRI (Magnetic resonance imaging) 1

Tom stelde deze vraag op 30 november 2005 om 23:11.
Zou iemand die verstand heeft van medische beeldvorming mij misschien willen helpen?

Ik zit op 6 vwo en ik doe mijn profielwerkstuk over medische beeldvorming. Ik heb een lastige vraag waar ik niet uit kom. Bij MRI wordt gebruik gemaakt van de magnetische eigenschappen van waterstofprotonen. Men plaatst een patient in een extern magnetisch veld. Als gevolg hiervan richt de asrichting van de protonen zich in de richting van het externe magnetische veld. Dat komt door hun magnetische eigenschappen. De protonen kunnen dan parallel of antiparallel staan.

Mijn vraag is: Wat wordt er precies met de asrichting bedoeld? Alvast bedankt!

Reacties

J. op 01 december 2005 om 12:03
De protonen hebben een zg. spin (engels voor draaiing). Het beeld daarbij is dat het proton als het ware om z'n eigen as draait. Helemaal correct is dat niet maar het is in ieder geval een goede werkhypothese.Door om z'n as te draaien wekt het electrisch geladen proton een magneetveldje op. De orientatie van dat magneetveldje hangt af van de omloopsrichting van de draaiing (analoog aan het veld als gevolg van een kringstroom).Nu zijn er in geval van het proton slechts 2 draaiingen (spins) mogelijk die alleen daarin verschillen dat hun draairichting tegengesteld is. Zodoende hebben we 2 orientaties van het magneetveldje van het proton. Men spreekt daarbij overigens liever niet van magneetveldjes maar van de magnetische dipoolmomenten van de protonen (wat niet 1 op 1 hetzelfde betekent als een magneetveldje, er zit een constante factor tussen) of kortweg van de spins van de protonen. Die spins richten zich in een extern magneetveld en wel zodanig dat ze dus parallel of antiparallel aan het externe magneetveld staan.
J. op 01 december 2005 om 12:05
P.S. De "asrichting" is dus de richting evenwijdig aan het aangelegde veld waarlangs de dipoolmomenten (in feite vectoren) zich richten.

Plaats een reactie

+ Bijlage

Bevestig dat je geen robot bent door de volgende vraag te beantwoorden.

Noortje heeft dertig appels. Ze eet er eentje op. Hoeveel appels heeft Noortje nu over?

Antwoord: (vul een getal in)