Icon up Overzicht

Chemische Technologie

Onderwerp:

Hoe kom je dáár nou bij?

Tussen het moment dat je tijdens een saaie geschiedenisles eens na zit te denken over wat je later wilt worden en je inschrijven voor een studie Chemische Technologie aan de Universiteit Twente zitten nog wel wat stappen. Ik heb al van veel mensen verbaasde reacties gehoord, zowel toen ik op school zat en zei dat ik Chemische Technologie wilde gaan studeren, als nu. De reacties lopen uiteen van: 'Chemische techhoewattes?' en 'Oe dat klinkt gevaarlijk' tot 'Wat moet jij als meisje tussen die kerels in labjassen?’, 'Jeetje wat ben jij een nerd zeg!' en 'Hoe kom je daar nou weer bij?'. De laatste reactie is misschien het meest interessant, en daar ga ik het hier over hebben. En natuurlijk over wat de studie inhoudt, en of je echt een labrat wordt...

Om Chemische Technologie te kunnen studeren, heb je een technisch profiel nodig. Het is vooral belangrijk dat je scheikunde, natuurkunde en wiskunde een beetje leuk vindt. Je hoeft echt niet allemaal tienen te halen, want die doen er allemaal niet meer zo toe op de universiteit. Dan moet je vooral logisch kunnen denken en de juiste instelling hebben. Op het VWO vond ik het best leuk om naar de natuurkunde- en scheikundeles te gaan, vooral het zelf bedenken en uitvoeren van dingen sprak me aan. Wiskunde vond ik ook wel aardig, maar ik vond het allemaal wel heel abstract: er was niets ‘echts’ aan. Toen ik me ging orienteren op studies vielen Scheikunde en Natuurkunde aan een ‘gewone’ universiteit al snel af. Het leek me dat je daar te snel in de theorie zou vervallen, en ook heel erg met één discipline bezig zou zijn. Omdat ik toch een lichte voorkeur had voor scheikunde, was ik ook bang dat ik de rest van m’n leven met een witte jas in een stoffig laboratorium eindeloze syntheses uit zou gaan voeren, en dat trok mij niet zo. Een ingenieursopleiding zoals Technische Natuurkunde, Biomedische Technologie of Chemische Technologie leek me veel interessanter, omdat alles veel meer toegepast is: je maakt dingen, ontwerpt dingen, en je bent niet steeds met één discipline bezig. Uiteindelijk is het Chemische Technologie geworden, omdat ik scheikunde leuker vond dan natuurkunde en biologie.

De studie

En dan is het zover. Het eerste college wat je krijgt is Calculus 1. Zeg maar wiskunde, maar dan iets uitgebreider. Tijdens het eerste college werd alle stof van 2 jaar VWO even in één keer herhaald, echt vrolijk werd je er niet van. Gelukkig heb je snel genoeg door dat je niet alles feitelijk moet weten, maar dat je het vooral moet snappen en toe moet kunnen passen. In het eerste jaar leer je de basis, en dit vond ik ook het moeilijkste jaar. Je krijgt veel wiskunde, natuurkunde, stromingsleer, practicum en nog niet zo veel scheikunde. Dit vond ik wel jammer, maar je moet toch eerst de basis kennen voordat je verder kunt. Je maakt in het eerste jaar al wel kennis met de verschillende gebieden van de chemische technologie, zodat je al een beetje een idee krijgt van wat je er allemaal mee kunt. Zo krijg je een procestechnologie vak, waar je bijvoorbeeld stroomschema’s leert tekenen, en leert uit te rekenen hoe hoog een destillatiekolom moet zijn om een goede scheiding te krijgen. Je krijgt een vak anorganische en organische chemie, wat voortborduurt op de kennis van het VWO, maar je ziet ook wat je ermee kunt. Ook krijg je stromingsleer, waarbij je inzicht krijgt in het gedrag van lucht en water. Je ziet ook in dat wiskunde eigenlijk gewoon een handig middel is om chemische en fysische informatie te verkrijgen, die je kunt vergelijken met de situatie in het echt.

In het tweede en derde jaar gaat alles wat dieper en zie je ook beter de verbanden tussen alle vakken. Het projectonderwijs wordt steeds interessanter: je hebt meer vrijheid in je aanpak, soms mag je zelfs je eigen project definieren. Je krijgt ook vakken zoals Fysische Chemie en Chemische Fysica, die zich op het grensvlak tussen natuur- en scheikunde afspelen. Je leert wat je nu eigenlijk kunt met de studie, en dat je het toe kunt passen op de realiteit van elke dag. Je kunt bijvoorbeeld uitrekenen hoe lang het duurt voordat een pas gefrituurde bitterbal zover afgekoeld is, dat je hem op kunt eten zonder je vingers te verbranden. En je maakt je eigen aroma: het blijkt dat je na een paar dagen experimenten doen op het lab, een stofje kunt maken dat precies zo ruikt als bananen. En je hebt meteen geen zin in bananen meer. Ook zie je dat het mogelijk is om van keramiek een mes te maken dat heel sterk is. Als je kwade bedoelingen had kon je die zo meenemen in het vliegtuig. Je leert over de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van nanotechnologie: je ziet foto’s van atomen, en laboratoria van een paar millimeter groot. Je doet onderzoek naar de productie van een bepaalde chemische stof, en gaat na hoe je die kunt maken op industriele schaal, wat voor reactor je nodig hebt, en hoe hoog die wel moet zijn. En je berekent de dimensies van de bijbehorende destillatiekolom. Vervolgens ga je naar Shell in Pernis, en zie je nergens die toren van 90 meter hoog...

Dan is het moment dat je een keuze moet maken, want je kunt niet alles blijven doen. Je moet keuzevakken gaan kiezen en een bachelor-opdracht doen. Er waren oorspronkelijk drie stromingen binnen de opleiding: procestechnologie, materiaalkunde en moleculaire technologie. Maar de laatste tijd is er steeds meer overlap tussen de stromingen. Het bestuderen van katalysatoren gebeurt bijvoorbeeld bij materiaalkunde, en het toepasssen bij proceskunde. Nanotechnologie bijvoorbeeld omvat alle technologie op nanoschaal: je zou bijvoorbeeld een glad oppervlak kunnen maken en bestuderen (materiaalkunde), het gedrag van moleculen aan dit gladde oppervlak kunnen bestuderen (moleculaire technologie) en die weer toepassen in de industrie (proceskunde). Nanotechnologie kun je trouwens ook in natuurkundige en elektrotechnische vakgebieden weer terugvinden.
Binnen de stromingen heb je vakgroepen, die zich specifiek met een bepaald stuk onderzoek. Voor mijn bacheloropdracht heb ik gekozen voor de vakgroep Supramoleculaire Chemie en Technologie, van de stroming moleculaire technologie. Tijdens de bacheloropdracht heb ik reacties aan het oppervlak bestudeerd. Als je goudplaatjes namelijk in een oplossing van bepaalde moleculen onderdompeld, kan hier vanzelf een laagje moleculen van 1 molecuul dik (een monolaag) op ontstaan. Dit heet een Self Assembled Monolayer. Als je er voor zorgt dat die moleculen aan het eind nog een reactieve groep hebben, kun je deze laten reageren, en andere biomoleculen zoals eiwitten hierop vast maken. De reactie gaat ook de andere kant op, dus je kunt het er ook weer vanaf halen. Eigenlijk heb je een soort prikbord, maar dan op nanoschaal. Maar je kunt natuurlijk nog heel veel andere soorten onderzoek doen. Ik vond het leuk om eens kennis te maken met het uitvoeren van een echt wetenschappelijk onderzoek.
Na de bacheloropdracht ben je afgestudeerd als Bachelor of science, in feite het equivalent van een hbo-diploma.

Meestal ga je dan door met je Master, en dan kies je ook weer 1 van de drie tracks. In de Master krijg je vakken die specifiek met je stroming te maken hebben, en als je al deze vakken afgerond hebt, ga je drie maanden op stage. Dit kun je bijvoorbeeld doen bij een bedrijf of een universiteit, en eigenlijk doe je dan werk dat je ook zou kunnen doen als je net afgestudeerd bent, maar je krijgt natuurlijk wel begeleiding. Als je klaar bent met je stage, ga je gedurende de rest van het collegejaar een eigen onderzoek doen. Dit is hetzelfde als de bacheloropdracht, maar dan wat zelfstandiger en diepgaander. Het is ook de bedoeling dat je eerst in de literatuur zoekt en een verslag over de achtergronden van jouw project schrijft. Daarna doe je onderzoek en schrijf je je Master thesis. Deze moet je verdedigen, en als de docenten het goed vinden, ben je afgestudeerd!