Daarboven staat een formule die de wrijvingskracht op een zwemmer weergeeft:
Fw=k·A·v²
dan gaan ze kijken of er verschil tussen snelheid van zwemmers is bij gelijke kracht. Als een zwemmer een ocnstante snelheid heeft is zijn kracht gelijk aan de wrijvingskracht (want dan is de nettokracht 0).
we noemen onze zwemmers 1 resp 2:
Fw1 = Fw2
dus
k·A1·v1² = k·A2·v2²
k is een constante die voor alle zwemmers gelijk is(volgens de onderzoekers uit de opgave) en die kunnen we dus wegdelen:
A1·v1² = A2·v2²
Kun je nu zelf verder met: "Ze nemen aan dat bij zulke zwemmers de oppervlakte van de dwarsdoorsnede A omgekeerd evenredig is met hun lengte l." ?
Groet, Jan