Waterlens (VWO 12, 2010-2, opg 5)
Examenopgave VWO, natuurkunde 12, 2010 tijdvak 2, opgave 5: Waterlens
Een waterdruppel blijkt geschikt als lens met een variabele brandpuntsafstand.
Het principe is als volgt: een waterdruppel wordt aangebracht in een gaatje van
een schijfje. De druppel neemt dan een bolle vorm aan. Door via een dun
kanaaltje in het schijfje meer druk op het water te zetten, wordt de lens boller.
Zie figuur 1.
|
|
|
figuur 1. |
Opgaven
aVoor de sterkte van een bolle lens geldt:
|
|
Voor de sterkte van een bolle lens geldt:
- S de sterkte van de lens in dioptrie;
- n de brekingsindex van het gebruikte materiaal;
- R1 en R2 de stralen van de boloppervlakken in m.
Zie figuur 2. M1
en M2
zijn de middelpunten van de boloppervlakken.
|
|
|
figuur 2. |
Voor een bepaalde waterlens zijn de beide stralen
even groot. Die lens heeft voor rood licht een
brandpuntsafstand van 25 mm.
Onder invloed van de zwaartekracht kan de waterlens een beetje uitzakken.
Hierdoor zijn de stralen R1
en R2
niet meer gelijk.
Stel dat R1
een factor 2 kleiner wordt en R2
tegelijkertijd een factor 2 groter.
In figuur 3 staat een vergrote tekening van een bolle waterlens. Een rode lichtstraal valt evenwijdig aan de hoofdas in.
|
|
|
figuur 3. |
Uitwerkingen
Open het antwoord op de vraag van jouw keuze.
Uitwerking vraag (a)
Bij een oog verandert bij het scherpstellen de bolling, en dus de sterkte, van de lens.
Bij een camera verandert bij het scherpstellen de afstand tussen de lens en het beeld.
Het scherpstellen van een waterlens lijkt dus meer op het scherpstellen van het oog dan op het scherpstellen van een camera.
Uitwerking vraag (b)
De sterkte van de lens kan bepaald worden doordat de brandpuntsafstand gegeven is:
S = 1 / f = 1 / 25 * 10-3 = 40 dpt.
Dit kan in de formule ingevuld worden, waarbij bekend is dat R1 = R2
.
Verder is de brekingsindex van water bij rood licht gelijk aan 1,330. Invullen geeft:
S = (n-1)*2/R
R = (n-1)*2/S = (1,330 - 1) * 2 / 40 = 1,65 * 10-2 m = 17 mm
Uitwerking vraag (c)
In de formule staat tussen haakjes:
1/R1 + 1/R2
Als beide stralen gelijk zijn staat hier dus 2/R.
Als R1
een factor 2 kleiner wordt en R2
een factor 2 groter, dan staat hier:
2/R + 1/2*R = 5/2*R
Aangezien 5/2*R groter is dan 2/R wordt de lens dus sterker.
Uitwerking vraag (d)
|
|
De eerste hoek van inval i1
is gelijk aan 19° en de brekingsindex is 1,33. De hoek van breking kan dan bepaald worden uit:
sin( i1 ) / sin( r1 ) = n
Er volgt: r1 = 14°.
Voor de tweede breking is de hoek van inval i2
gelijk aan 35°. De hoek van breking kan dan bepaald worden uit:
sin( i2 ) / sin( r2 ) = 1/n
Er volgt: r2 = 50°.
Als u wilt reageren op dit artikel moet u eerst inloggen.
RSS Feed