Röntgenstraling (Natuurkunde Havo 1998-I, oude stijl, opg.3)
(Natuurkunde Havo 1998-I, oude stijl, opg.3)
Opgave
Een veel voorkomende toepassing van röntgenstraling is het maken van
röntgenfoto's door de tandarts. Met een bepaald röntgenapparaat wordt een bundel
röntgenstraling gedurende 2,0 s op de kaak van een patiënt gericht. De op de kaak
vallende bundel heeft een vermogen van 2,3*10
-5
W. De kaak absorbeert 60% van de opvallende röntgenstraling. Het gedeelte van de
kaak dat de straling absorbeert, heeft een massa van 30 g. De kaak ontvangt door het
nemen van de foto een bepaald dosisequivalent aan straling.
Voor het dosisequivalent H geldt:
• H=Q*U/m
Hierin is:
• Q de kwaliteitsfactor,
• U de geabsorbeerde
stralingsenergie (in J),
• m de bestraalde massa (in kg).
Voor röntgenstraling geldt: Q = 1.
De röntgenstraling van dit apparaat bevat vooral fotonen met een energie van 50 keV
bNaast allerlei röntgenapparaten is er ook apparatuur om stralingseffecten te meten. Een apparaat dat men daarvoor veel gebruikt, is de zogenaamde ionisatiekamer. Deze meet het ioniserend vermogen van de straling. In een bepaald type ionisatiekamer bevinden zich twee metalen platen die zijn aangesloten op een spanningsbron met een spanning van 180 V (zie figuur 1). Door een venster komt röntgenstraling in de ionisatiekamer. De straling ioniseert moleculen in de lucht tussen de platen.
|
|
|
Figuur 1: ionisatiekamer |
Op een zeker moment komt door zo'n ionisatie midden tussen de platen een elektron vrij. Het elektron wordt door het elektrisch veld tussen de platen versneld. De beginsnelheid van dit elektron wordt verwaarloosd. Neem aan dat het elektron op weg naar de positieve plaat een spanning van 90 V doorloopt en niet tegen moleculen of ionen botst.
cTussen de spanningsbron en plaat 1 is een stroommeter opgenomen. Met behulp van
de gemeten stroomsterkte kan het aantal röntgenfotonen bepaald worden dat per seconde de
ionisatiekamer binnenkomt. We nemen aan dat elk röntgenfoton één ionisatie veroorzaakt.
Bij elke ionisatie ontstaat één elektron en één eenwaardig positief ion.
Het
elektron gaat naar plaat 1 en het ion gaat naar plaat 2. De elektronen die plaat 1
bereiken, worden daar opgenomen en stromen via de stroommeter en de spanningsbron naar
plaat 2. De positieve ionen worden daar ontladen.
De stroommeter geeft een
stroomsterkte aan van 3,8 x 10
8
A.
Uitwerking vraag (a)
• H = 1 x (0,60 x 2,0 x 2,3 x 10 -5 / 0,030 = 9,2 x 10 -4 Sv
Uitwerking vraag (b)
• U = h * f.
• 50 x 10
3
x 1,6 x 10
-19
= 6,63 x 10
-34
x f
• f = 1,21 x 10
19
Hz
• c = λ * f → λ = 3.0*10
8
/ 1.21*10
19
= 2.5*10
-11
.
Uitwerking vraag (c)
• q x V = ½ mv
2
.
• v = √ (2qV / m)= √ (2*1.6*10
-19
*90 / 9.1*10
-31
) = 5.6*10 m/s.
Uitwerking vraag (d)
• We zetten eerst even de stroom om van amperes naar elektronen per
seconde.
• Dit gaat heel eenvoudig via de lading van een electron.
• I = 3,8 x 10
-8
A = 3,8 x 10
-8
/ 1,6 x 10
-19
= 2,38 x 10
11
e/s
• Dit moet dan gelijk zijn aan het aantal fotonen.
Als u wilt reageren op dit artikel moet u eerst inloggen.
RSS Feed